DONKER
Alle leven was uit me weggezogen.
Het was donker om me heen, die winter. En niet alleen om me heen, ook in mij.
Medicijnen, een betrokken huisarts en een kundig psychiater konden niet voorkomen dat ik me voelde als een onbegraven dode.
Alle leven was uit me weggezogen.
“Zorg voor voldoende beweging”, zei de betrokken huisarts.
“Ga wandelen”, zei de kundige psychiater. Dus elke middag, als de tentakels van
de depressie het meeste vat op me hadden, sleepte ik mezelf naar het dichtstbijzijnde groen. Plichtmatig zette ik de ene voet voor de andere. Vrieskou, sneeuw,
ijs op de sloten – het deed me allemaal niets. De depressie duurde voort. De
knalgele forsythia?
Ik zag haar niet eens. De eerste blaadjes aan de bomen? Ik liep eraan voorbij.
Totdat ik een roodborstje uit volle borst hoorde zingen.
Ik werd woest! Normaal raakte lentezang mij tot in het diepst van mijn ziel. Maar
nu? Ik voelde niets! Rotbeest om me zó met de neus op mijn geestelijke lijkstijfheid te duwen. Ik kon hem wel uit de boom schieten.
Pas veel later zag ik dat daar het eerste scheurtje ontstond in de gewatteerde
deken om mij heen. Ik was bóós geworden. Boos op mijn rotsituatie, die maar
duurde en duurde. Boos op de zwaartekracht, die op mij meer vat leek te hebben dan op de mensen om mij heen.
Boos op mijn gevoelsleven dat besloten had de pijp aan Maarten te geven. En
precies die boosheid bracht weer de eerste beweging.
Die woede was als de eerste ademteug van een pasgeborene.
Begin van een lang proces van weer tot leven komen.
Marga Haas, theoloog