Verslag “Zoeken niet moe, ik blijf onderweg”.

Op 16 oktober 2019 heeft de werkgroep “Het zoeken niet moe, ik blijf onderweg” pastor Hans Schoorlemmer verbonden aan het Dominicanenklooster Zwolle uitgenodigd om ons te vertellen en mee te nemen op zijn voettocht naar Santiago de Compostella.

Met rijn rugzak en zijn wandelstok komt hij binnenwandelen.

Pastoraal werkster Marga klein Overmeen begint de middag met de Bijbellezing van de Emmaüsgangers, die ook onderweg waren. Daarna krijgt pastor Hans Schoorlemmer het woord met zijn thema:

“Onderweg gaat de hemel open”

Het is geen toeristisch verslag van zijn voettocht. Integendeel. In verhalen en beelden ( dia’s ) nam hij ons mee in wat hij als pelgrim beleefde. Verhalen, die over hem gaan, maar die vaak ook parabels zijn van wat ieder van ons op de levensreis meemaakt.

Schoorlemmer begint zijn tocht op de Oostelijke aanlooproute onder in Frankrijk.

Onderweg wijkt hij af van de route om ook Lourdes aan te doen en een bezoek te brengen aan de Mariagrot.

Daarna vervolgt hij zijn weg en neemt de beslissing om de moeilijkste route door de Pyreneeën te nemen. Hij ervaart de tocht als een levensreis met eenzame en moeilijke stukken maar ook soms terug moeten doordat hij verkeerd is gelopen. Toch zijn het niet allemaal ontberingen ook ervaart hij bijzondere ontmoetingen.

Een bijzonder verhaal van hemzelf dat hij met ons deelde:

“Zomaar een man langs de weg”.

De weg gaat van Gabas naar Borce. Een mooie etappe van klimmen en dalen door het hooggebergte van de Pyreneeën. Ik kom over de Hourquette de Larry ( 2055 m ) en passeer drie schitterende groene bergmeren. Na tien uur lopen is mijn water op en ook mijn energie. Naast het talud van het bospad, waarop ik loop, staat een verdwaald boerderijtje. Voor het bescheiden huisje zit een man van een jaar of 75. Stevige grijze krullen. Met milde blik staart hij in het oneindige. Ik roep in mijn beste Frans: “Hoever nog naar Borce?” “Nog twee kilometer”, antwoordt hij. Ik wil doorlopen, maar bedenk me en besluit een glas water te vragen. Hij gaat naar binnen en ik daal af naar zijn terras. Na vijf minuten is hij terug. Hij verontschuldigt zich dat het water niet uit de koelkast komt. Behalve water heeft hij daarom ook gekoelde limonade meegenomen. Terwijl ik drink, vraagt hij, waar ik vandaan kom. Uit Nederland. Welk stuk van Nederland? Nou, niet uit Amsterdam, een onbekend gedeelte, U zult het niet kennen. De man dringt aan om het toch te zeggen. Hij is ooit in Nederland geweest, zegt hij. Ik vertel dat ik in Zwolle ben geboren. Dat is tenminste wat groter dan IJsselmuiden. Zwolle, die plaats kent hij! En ook Meppel, Assen en Groningen en Dieverbrug! Ik heb dat Drentse gat nog nooit zo mooi horen uitspreken. Dievèrrrrbrrugh. Wat is het geval? In april 1945 is hij als parachutist in de Drentse bossen gedropt. Hij herinnert zich de totale duisternis, de takken in zijn gezicht. Hij overleefde het, 42 maten werden gedood. Daar is nu een monument voor in Assen. Hij is er een paar maal geweest. Kunt U paar woorden Nederlands, vraag ik. Hij schudt zijn hoofd. Maar bij het afscheid stoot hij me aan en begon te zingen: Oranje… boven…oranje boven…leve de koningin. We zingen samen, ik met natte ogen, hij met zijn milde lach.

Verder op zijn voettocht sluit ook zijn vrouw bij hem aan en samen lopen ze de weg naar Santiago de Compostella.

De voettocht op zich deed hem meer dan het grootse Santiago.

Na hun verblijf in Santiago zijn ze nog 90 kilometer verder gelopen naar de westkust van Spanje om daarna weer naar Nederland af te reizen.

Na de pauze werd er druk gebruik gemaakt van vragen aan Schoorlemmer.

Na een middag vol indrukken bedankte mevr. Rosendaal, pastor Schoorlemmer, bood hem een envelop met inhoud aan en wenste iedereen een wel thuis.