Pinkstermijmeringen

‘Joop, weet jij het verschil tussen een arts, een psycholoog en een theoloog?´ vroeg een student mij een keer. Zonder mijn antwoord af te wachten, gaf hij zelf antwoord: ´Een arts staat in een verlichte kamer en een psycholoog in een donkere kamer. Maar een theoloog staat met een zonnebril op in een donkere kamer!´ Zo, daar kon ik het mee doen! Natuurlijk heb ik hem even mores geleerd. Maar het antwoord is wel tekenend voor hoe er vaak tegen de geestelijke dimensie van ons bestaan wordt aangekeken. Iedereen is wel vertrouwd met de huisarts en sommigen ook met de psycholoog. Maar wie zoekt er nog een pastor op? Niet iedere geestelijke is een pastor, maar iedere pastor is een geestelijke, ofwel iemand die vertrouwd is met de spirituele dimensie van ons bestaan. Iedereen is wel vertrouwd met de lichamelijke dimensie van ons bestaan en ieder mens is uitgerust met verstand, gevoel en wilskracht. We zijn welvertrouwd met onze psycho-somatische leefwereld. Maar voor de geestelijke en mentale kant van ons bestaan is dit minder vanzelfsprekend. We hebben vaak geen vermoeden van wat er met de Geest bedoeld wordt en als we het hebben, dan krijgen we het niet makkelijk onder woorden. Die stomheid heeft gevolgen. Want waar slaat het Pinksterverhaal van de zending van de heilige Geest op als we geen enkele notie meer hebben van waar we die Geest moeten zoeken? Hoe kan het dan voor ons Pinksteren worden? Ik mijmer over waar ik die Geest tegenkom in mijn eigen leven en wie weet herkent U iets.

En God sprak: ´Daar zij licht… en daar was licht´ – zo begon het in Genesis en zo begint het voor mij iedere morgen weer als ik mijn ogen opsla. Met het licht is die aanwezigheid gegeven die alles verlicht en in het aanzijn brengt: mijzelf en de wereld om me heen. ´Licht dat ons aanstoot in de morgen, zo dichtte Huub Oosterhuis. Het is het licht van mijn bewustzijn dat de mensen en de dingen er zijn en dat ik er zelf ben. De onophoudelijke stroom van bewustzijn die ontspringt als het licht van een nooit uitdovend vuur. Ik zie het licht in de lachende lichtjes in de ogen van een kind, de speelse glans van Gods heerlijkheid. Ik heb ook gezien hoe het levenslicht in de ogen uitdooft aan het einde van een mensenleven. Denk ik aan de Geest, dan licht er iets op in mij wat me uittilt boven het gewone, het alledaagse. Soms licht het licht de wereld op, soms maar heel even – als een moment van ultieme schoonheid dat me diep ontroert en dat niet van deze wereld lijkt. Er is daarachter iets dat als een grote surprise op ons ligt te wachten, denk ik dan. Die momenten zijn als krenten in de pap, als slagroom op de taart. Het licht is buitengewoon vanzelfsprekend: het verlicht onze wereld en ons bestaan, zoals de zon het landschap verlicht. Wie in de zon gaat zitten staren, wordt blind. Dat is niet de bedoeling. Het gaat de zon immers niet om de zon. Maar hoe kan ik het missen op de zwarte bladzijden van het leven, in de schaduw van de dood, bij het verlies van een geliefde? Hoe fel kan ik vechten en strijden als een soort ´Jakob aan de Jabbok´ met de Geest die Leven geeft. (Genesis 32, 24-32)

Hoe kan een mens spreken zonder adem? Het Hebreeuwse woordje ´ruach´ betekent ´geest, wind, adem´. Het was de Geest (ruach) die in den beginne over de wateren zweefde, de Geest van wijsheid en van troost, maar ook van verzet. De héte Adem onder de felle woorden van profeten, die de dode letters tot één levend Woord samensmeedde. God blies Adam de levensadem in de neus en Adam werd een levende ziel. Gods Adem is de levensadem en als mens adem ook ik Zijn adem. Peter Schaap dichtte (misschien onvermoed) een mooie mystieke regel: ´Adem mijn Adem, voel wat ik voel en Ik zal jou zijn bij het vallen van de avond´. Het gaat ongetwijfeld over een intieme menselijke relatie, maar een diepere betekenis is niet moeilijk te vinden. Wie de Adem van de Geest delen, delen het leven zelf. Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten over de doop (Galaten 3,27-28): ´Want wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, zijn in de kracht van één en dezelfde Geest tot één Lichaam gedoopt en allen zijn wij doordrenkt van één Geest´. Wij ademen dezelfde Adem en leven in dezelfde Geest die Jezus bezielde. De eenheid van alle gelovigen is door die Geest verankerd in Christus. Wij leven in het krachtenveld van de Geest, die brandt als een vuur in ons midden, die ons samensmeedt als tot één Volk en die ons voorlicht als een vuurzuil op de weg naar het Messiaanse Rijk, zoals eertijds Mozes door de woestijn op weg naar het beloofde Land. Zijn we soms verdwaald, het spoor bijster geraakt? Wie zal ons leiden?

Het water, ooit het tehuis van de Leviathan (Psalm 74,13-14) – het zeemonster dat leeft in de afgrond en een mens meesleurt de diepte in – is van een doodsbedreiging tot een symbool van leven geworden. Droog en dor is het land zonder water, als een doodswoestijn, totdat de hemelen dauwen: rorate caeli! – en de woestijn zal bloeien als een roos! Mijn ziel dorst naar U in een droog en dor land zonder water, verlangend naar die zegen van regen die de aarde drenkt. Zoals een hert dat schreeuwt naar de waterstromen, naar de stromen van levend water die ontspringen uit die Bron die nooit opdroogt, die de aarde doordrenken, opdat het nieuwe leven ontluikt. Zo overschaduwde de heilige Geest de maagd Maria en werd ze zwanger van de Messias. De vliezen van het Koninkrijk Gods werden gebroken en het Koninkrijk van God werd onder ons geboren als een gebeuren van bevrijdende liefde: God met ons, Emmanuël! Inderdaad, zo klein als een mosterdzaadje.

Ach, het is misschien nu nog wat te veel om het allemaal te onthouden, maar vrees niet: de Geest zal het ons – op haar tijd – wel in herinnering brengen.

Juni 2019 Joop Butti