GELOVEN IN TIJDEN VAN CORONA

Hoe gaan we als gelovigen om met de coronacrisis? Hoe hielden gelovigen bij eerdere epidemieën goede moed en wat kunnen wij nu doen? In vroeger eeuwen hoefde men niet lang na te denken als epidemieën dood en verderf zaaiden: dat was Gods straffende hand vanwege de zonden der mensen. Terstond werd alles uit de kast gehaald om met boetedoening en eerherstel Gods erbarmen af te smeken en de relatie te herstellen. Nu kijken we daar enigszins meewarig op terug. Epidemieën bestrijd je niet met gebed en boetprocessies, maar met quarantaine, medische zorg, hygiëne en, in het ergste geval, wachten tot de ziekte is uitgeraasd.

Toch zijn er in de geschiedenis krasse staaltjes van mogelijke gebedsverhoring opgetekend, zoals het snelle einde aan de pestepidemie die eind zesde eeuw huishield onder de Romeinse bevolking. Paus Gregorius I (de Grote), organiseerde een boetprocessie waarin de icoon van de Moeder Gods werd meegedragen. Aan het einde van de processie zag de paus hoe de aartsengel Michael, staande op een burcht, zijn zwaard wegstak en de pest verdween. Sindsdien wordt die plek de Engelenburcht genoemd en de icoon de Salus Populi Romani (Heil van het Romeinse volk).

Toen de Wereldgezondheidsorganisatie half maart officieel sprak over een pandemie, een wereldwijde epidemie, liep paus Franciscus – vanwege de lockdown in zijn eentje – naar de Santa Maria Maggiore om bij deze icoon te bidden om een einde aan deze ramp. Later was deze icoon er op uitdrukkelijk verzoek van de paus bij, toen hij zijn wereldwijd uitgezonden speciale Urbi et Orbi uitsprak op een leeg Sint Pietersplein.

Er lijkt een tegenstelling met de opschorting van alle liturgische bijeenkomsten die, zou je zeggen, juist nu toch zo hard nodig zijn om de relatie met God te herstellen. Maar in tijden van epidemieën zijn altijd kerken gesloten en religieuze samenkomsten verboden geweest. En zoals de eucharistie de uiterlijke eigenschappen behoudt van brood en wijn, kan zij ook drager zijn van een dodelijk virus.

Een goed voorbeeld van omgang met de sacramenten ten tijde van epidemie zien we bij de heilige Carolus Borromeus (1538-1584) die aartsbisschop van Milaan was toen daar in 1576 de pest uitbrak en maandenlang dood en verderf zaaide. Het stadsbestuur en de vermogenden hadden de stad in ontreddering achtergelaten, maar Borromeus greep op eigen gezag in. Zich bewust van het besmettingsgevaar, werden de kerken gesloten, maar werden Missen op pleinen in de stad opgedragen, zodat de mensen die vanuit hun huizen konden volgen. (Wij doen met onze gestreamde missen niet veel anders.) Te communie gaan deed men toch al sporadisch en priesters werden nadrukkelijk geïnstrueerd hoe zij op een veilige manier de laatste sacramenten konden toedienen. Ook dat laatste gebeurt nu: in beschermende kleding met een speciaal wattenstaafje.

Om de gelovige moed erin te houden liet de aartsbisschop getijdenboekjes voor de gewone man verspreiden. De kerkklokken gaven de gebedstijden aan en mensen werden aangemoedigd om voor hun raam of deur gezamenlijk beurtelings de getijden te zingen. Ook werden er boetprocessies georganiseerd waarbij de zich gezond voelende deelnemers naar parochie, dus territoriaal, werden ingedeeld. Men hoopte zo eventuele nieuwe besmettingen fysiek te beperken.

En Borromeus stak zich in de schulden om de voedselvoorziening op gang te houden. Wij kunnen – zonder ons daarbij in de schulden te steken – mensen helpen met giften aan de Voedselbank die nu zo nodig zijn.

Geloven, gebeden, bepaalde riten: zij maken niet onkwetsbaar. God is geen jukebox. Een opgestoken kaarsje, een kruisje of rozenkrans om de hals heeft niet de betekenis van een heidense amulet. Het is een uiterlijk teken dat men zich aan God wil toevertrouwen en zich onder zijn bescherming plaatst. Die betreft niet allereerst de lichamelijke dood, maar de geestelijke. Het is een teken dat je je wilt voegen naar Gods plan. Je mag vragen om gespaard te blijven voor leed, dat per definitie een uitdrukking is van het kwaad. Maar wel in het bewustzijn dat wie zijn kruis niet opneemt en Hem volgt, zijn leerling niet kan zijn (Matteüs 16, 24).

We hebben geen idee wat de uiteindelijke impact gaat zijn van deze crisis. We zien dat wel soms heel direct in ons eigen leven. Als onze broodwinning of levenswerk eraan onderdoor gaat, als we met onze versplinterde relaties ineens ook nog eens onze collega’s, familie en vrienden moeten missen. Als we gedwongen op elkaars lip zitten, elkaar irriteren of onze frustraties afreageren op degenen die ons het meest na staan. Maar het kan ook anders. Als we eindelijk tijd hebben voor elkaar, niet meer in de dagelijkse file hoeven staan, het krankzinnige levenstempo doorbroken wordt waaraan we met handen en voeten geboeid blijken te zijn.

We kunnen deze periode ook beleven als een ballingschap waarin uit mag kristalliseren waar het eigenlijk om gaat in dit leven, beter gezegd in het leven hierna. We kunnen de woorden van God opnieuw tot ons nemen tegen de achtergrond van een veel brozer bestaan dan dat we wilden weten.

We kunnen ons voegen in Gods plan en ons met al onze zorgen aan Hem toevertrouwen, zoals Jezus ons zegt in het tiende hoofdstuk van het Matteüsevangelie. We kunnen ons, net als de Milanezen ten tijd van Carolus Borromeus, voegen in de gebedsritmiek van de Kerk. Gewoon met de getijden, gratis verkrijgbaar met een app. Daarin bidden we dagelijks een reeks psalmen die soms zo raak onze eigen gemoedstoestand verwoorden, van vreugde en dankbaarheid tot moedeloosheid en verdriet. Maar ook vol troost, hoop en vertrouwen.

Door het lezen van het dagelijkse evangelie, zo vaak benadrukt door paus Franciscus, om Jezus steeds beter te leren kennen en te begrijpen hoe we ons leven op Hem kunnen afstemmen. En daardoor gelukkig te worden. Uiteraard in het hemelse, waarnaar wij op weg proberen te zijn. Maar ook in het ondermaanse, het onvermijdelijke tranendal, door zijn troostende aanwezigheid te mogen ervaren, gek genoeg soms in het lijden zelf. Of door het lijden van anderen te verzachten. Dat kan door aandacht, verdraagzaamheid, begrip en solidariteit, maar niet op de laatste plaats door voor anderen te bidden. Door Gods barmhartigheid af te smeken voor anderen, in het geloof dat geen enkel gebed verloren gaat of zinloos zou zijn. Naast de tastbare kunnen we ook geestelijke werken van barmhartigheid verrichten, zelfs als we helemaal niets meer kunnen.

De schat die ons om niet is toevertrouwd kunnen we echter pas delen als wij zelf bekeren. Als wij er zelf van en naar leven.

Jan Peters (bron: website katholiekleven.nl)